Mysterieus België

Van A tot Z: Sagen, mythen, legenden, sterke verhalen, geheimzinnige geschiedenissen, historische mysteries, feiten en fictie van Aalst tot Zwevezele, van Arlon tot Wéris! Wij organiseren voor u een stadsspel, GPS-spel, stadswandeling, detectivespel, fotozoektocht in Mysterieus België met 1 spelleider, met diverse performers, of in een doe-het-zelf pakket, in het Nederlands, Frans of Engels! Vraag hier vrijblijvend een offerte aan!

8.11.14

Kolonel Friedrich Herzenwirth, I presume?





Dit soort dingen gebeurt altijd bij de dood van een groot man of het begin van een belangrijke oorlog. Recent nog, in 1914, moedigden de ‘engelen van Bergen’ de Britse troepen aan. Het bewijs voor die evenementen is zelden solide, en moderne historici weigeren het te accepteren – uitgezonderd, natuurlijk, als het evenement een religieuze betekenis heeft.
Iedere krachtige emotie heeft een neiging tot legendevorming in zich. Als de emotie beperkt blijft tot een invididu, wordt hij beschouwd als zijnde min of meer gek indien hij krediet verleent aan de mythe die hij heeft geschapen. Maar als een emotie collectief is, zoals in een oorlog, is er niemand om de mythen te corrigeren die spontaan optreden.

Bertrand Russel, in An Outline of Intellectual Rubbish



Schoonheid verdwijnt, de duisternis valt. Een man vindt de perfecte frase: ‘De lampen van Europa doven,’ zei sir Edward Grey in 1914. ‘Zij zullen in onze tijd niet opnieuw aangestoken worden.’ In de ogen van de rede is oorlog de totale verduistering van de rede.

Alan McGlashan, in The Savage and Beautiful Country





























Op 17 februari 1930 verscheen in het Britse blad Daily News dit artikel:

In 1914 zagen Britse troepen écht wat zij de Engelen van Bergen noemden, als we het verhaal mogen geloven van een voormalig lid van de Keizerlijke Geheime Dienst van Duitsland. Deze ex-officier, Friedrich Herzenwirth, van wie het relaas werd gepubliceerd door een dagblad in New York, vertelt: ‘De Engelen van Bergen waren bewegende beelden, zichtbaar gemaakt op een “scherm” van mistig witte wolkenvelden in Vlaanderen, door cinematografische projectiemachines gemonteerd op Duitse vliegtuigen die zich bevonden boven de Britse linies.’
De rapporten van Britse troepen gedurende de aftocht uit Bergen op 24 augustus 1914 – dat zij ‘engelen met de afmetingen van mannen’ hadden gezien, die zich in de achterhoede van het terugtrekkende leger leken op te houden – werden door psychologen toegeschreven aan massa-hypnotisme en hallucinaties. Kolonel Herzenwirth zegt nu dat het de bedoeling was van de Duitsers, met deze op een wetenschappelijke manier veroorzaakte ‘visioenen’, een bijgelovige angst te creëren in de geallieerde gelederen. Zij rekenden erop paniek te doen ontstaan en de weigering een vijand te bevechten die leek te genieten van een speciale bovennatuurlijke bescherming. Maar de Duitsers misrekenden zich.
‘Wat we ons niet voorgesteld hadden,’ voegde de kolonel eraan toe, ‘was dat de Engelsen het visioen in hun eigen voordeel zouden gebruiken. Dit was een formidabel stukje contra-propaganda, want sommige Engelsen moeten zich terdege bewust geweest zijn van de mechanismen van onze truc. Hun methode om de engelen als beschermers van hun eigen troepen te interpreteren, deed de balans compleet in ons nadeel overslaan. Indien het Britse opperbevel zich tevreden had gesteld door een simpel legerorder te verspreiden waarin onze valstrik werd ontmaskerd, dan zou het resultaat niet half zo effectief geweest zijn.’
Kolonel Herzenwirth legt vervolgens uit dat de Duitsers meer succes boekten met hun projecties op de wolken van het Russische front in 1915. Daar werd de Maagd vertoond, met een opgestoken hand, alsof ze een teken wilde geven dat de moorddadige Russiche nachtaanvallen gestopt moesten worden. Zoals ook in Vlaanderen het geval was geweest, waren de Duitse vliegtuigen uitgerust met magische lantaarns, voorzien van enorm krachtige Zeiss lenzen, en vlogen ze boven de vijandelijke linies. Een gordijn van sneeuw in de lucht boven het Duitse leger werd gebruikt als een scherm. Hele regimenten die het visioen hadden gezien, vielen op hun knieën en gooiden hun wapens weg, beweert kolonel Herzenwirth.
De truc werd aan het Russische front verscheidene keren herhaald en was telkens succesvol. ‘We wisten van de krijgsgevangenen,’ zegt de kolonel, ‘dat in sommige gevallen officieren werden gedood door de soldaten van hun eigen compagnie, die daarna hun wapens weggooiden, roepend dat zij zich niet schuldig wilden maken aan het schieten op een leger waarover de Moeder van God waakte.’
Met de Fransen in Picardië en de Champagnestreek maakten de Duitsers evenwel een andere misrekening. ‘In plaats van de vrouwenfiguur die we op een nacht projecteerden op de wolken als de Maagd te beschouwen, of als een heilige die ons leger beschermde, herkenden de Fransen haar prompt als Jeanne d’Arc,’ zegt hij. ‘En de balans sloeg nogmaals om in ons nadeel, toen we in Vlaanderen de vrouw veranderden in een man. De Britten beweerden dat het St. George was.’

De volgende dag keerde de Daily News nog eens terug op dit artikel:

Hier volgt een bericht dat we gisteren ontvingen van onze correspondent in Berlijn:
‘Een vooraanstaand lid van Departement Inlichtingen van het huidige Duitse Ministerie van Oorlog verklaart dat het verhaal een grap is en Herzenwirth zelf een mythe of, indien hij toch bestaat, een leugenaar. Zijn bestaan werd officieel ontkend.’
De heer Arthur Machen, de schrijver, deelde de Daily News gisteren mee dat het hele verhaal over de verschijningen berustte op een legende, die door hem werd verzonnen. Ze werd in het leven geroepen, zei de heer Machen, door een verhaal – The Bowmen – van zijn hand, gepubliceerd op 29 september 1914.
‘Het verhaal vertelde hoe, gedurende de aftocht uit Bergen, bepaalde Engelse soldaten vanuit hun loopgraven zagen dat de oprukkende Duitsers met hele regimenten tegelijk neerstortten. Dit was te danken, zo veronderstelden ze, aan hetfeit dat een van hen, voor de helft in ernst maar ook bij wijze van grap had gezegd: “Moge St. George de Engelsen nu ter hulp snellen!” In het verhaal is St. George daarop verschenen, met aan zijn zijde de geesten van boogschutters van weleer, en de Duitsers zouden getroffen zijn door hun spookpijlen. Gedurende de volgende paar maanden gebeurde niets uitzonderlijks, maar ergens in 1915 bleek dat de mensen het verhaal voor waarheid namen. Daarna begonnen zij van de boogschutters engelen te maken. Ze verdraaiden en veranderden het verhaal op alle mogelijke manieren.’
(…)
Een officiële bron uit het Ministerie van Oorlog bevestigde gisteren ook aan een reporter van de Daily News dat de officiële archieven met betrekking tot dit deel van de oorlog geen enkel document bevatten dat verklaringen ondersteunt als zou er door de Britse troepen bij Bergen een verschijning zijn waargenomen.

Op het eerste gezicht is deze geschiedenis zo klaar als een klontje: er bestaat geen kolonel Herzenwirth, en de verklaring van deze mistige figuur – die daarna ook niet meer van zich heeft laten horen – is een fabeltje. Kolonel Herzenwirth beschrijft met andere woorden een fata morgana, maar hij is er zelf één. Voor wie wat dieper ingaat op de hele materie, lijkt dit evenwel al gauw een iets te simplistische redenering. Dat er nooit een ‘kolonel Herzenwirth’ actief is geweest in de Duitse Geheime Dienst, betekent niet noodzakelijk dat wat hij te vertellen heeft alleen maar onzin kan zijn.
Als we de boodschapper even buiten beschouwing laten, kan de inhoud van de boodschap alleszins niet gecatalogeerd worden in de rubriek total nonsense. Dit sterke staaltje van avant-gardistische psychologische oorlogsvoering zou namelijk een oplossing kunnen bieden voor het raadsel dat de engelen van Bergen ons nagelaten hebben. Het zou de ‘missing link’ van Kevin McClure verklaren en het zou verantwoordelijk kunnen zijn voor de allereerste rapporten over engelen door de soldaten van generaal Charteris, die later een eigen leven zijn gaan leiden en waarop zich ook de mythe van St. George en zijn boogschutters heeft geënt.
Ik geef graag toe: het lijkt onwaarschijnlijk – maar, denkend aan het adagio van Sherlock Holmes, wat doe je als er geen andere werkbare hypotheses voorhanden zijn of als die zo mogelijk nog onwaarschijnlijker lijken? ‘Geen onderdeel van het wetenschappelijk criminologisch onderzoek is zo belangrijk als de kunst van het zoeken en volgen van sporen,’ zei Holmes verder nog. En voor de rest moeten we voortdurend uitkijken naar alternatieven (en naar contra-indicaties voor die alternatieven).
Eén contra-indicatie voor de alternatieve hypothese die kolonel Herzenwirth ons aanreikt, is dat hij ‘mistig witte wolkenvelden in Vlaanderen’ beschrijft – en dat de weerberichten eind augustus 1914 hooguit melding maken van ochtendnevel en geen significante ‘mistig witte wolkenvelden’ signaleren in de streek van Bergen. Anderzijds is het frappant dat in heel wat rapporten over waarnemingen van ‘engelen’ eveneens gesproken wordt over wolkenformaties, soms zelfs van ‘lumineuze’ aard.
Andere belangrijke contra-indicaties voor de schijnbaar nogal extravagantie luchtkastelen van Herzenwirth zie ik niet zo meteen. U stelt zich misschien de vraag of het projecteren van beelden op de wolken technologisch tot de mogelijkheden behoorde in 1914? Dat was ongetwijfeld zo.
De Duitse jezuïet, geleerde en mysticus Athanasius Kircher (1601-1680), die ooit wel eens ‘de laatste Renaissance mens’ werd genoemd, wordt wel eens ten genoemd als de uitvinder van de laterna magica, de ‘toverlantaarn’ die beschouwd wordt als de voorloper van de moderne diaprojector. In zijn werk Ars Magna Lucis et Umbrae (De Grote Kunst van Licht en Schaduw) beschrijft hij een techniek die het mogelijk moet maken woorden en beelden te projecteren op de wolken, met de bedoeling het geloof in de ene ware God te verspreiden en te bevorderen. En in 1893 was er een opvoering van Wagners Walküre te zien in de Opera van Parijs, waarbij een vernuftige installatie de toeschouwers de illusie gaf dat er ruiters door de wolken draafden.
Naar het einde van de negentiende eeuw toe werd er ook op het vlak van de optica koortsachtig geëxperimenteerd. Het Nederlandse tijdschrift De Natuur publiceerde in 1883 een artikel over de ‘praxinoscoop van Reynaud’, die het mogelijk maakt ‘de fotografiën van bewegende mensen en dieren als bewegende, “levende” beelden te zien’, maar tegelijk ook voor ‘een groot aantal personen gelijktijdig zichtbaar te maken’.
In 1892 kwam de Franse uitvinder Reynaud al met een zogenaamd ‘Optisch Theater’ voor de dag, waarover De Natuur drie jaar later als volgt berichtte: ‘Hierbij wordt geen gebruik gemaakt van chronofotografieën, doch van in kleuren geschilderde, dus met de hand vervaardigde voorstellingen op een doorzichtige band. De vertoner kan deze band in de ene of de tegenovergestelde richting doen bewegen met behulp van twee handkrukken. De beelden trekken dan voorbij de lantaarn B en worden door lens C op een hellende, vlakke spiegel M geprojecteerd, en deze werpt ze weder op het doorzichtige scherm E.  Een tweede projectielantaarn D doet tegelijkertijd op het scherm de steeds gelijkblijvende omgeving, het décor, verschijnen, waarin zich de steeds veranderende figuren vertonen, die op de strook A geschilderd zijn. De opvolging der beelden kan ieder ogenblik onderbroken worden zonder dat het beeld ophoudt verlicht en dus zichtbaar te zijn op het scherm. Daardoor kunnen bij de voorstelling van het levendig bedrijf ook ruststanden en herhalingen voorkomen, waardoor zowel de schijn van werkelijkheid als de duur van de voorstelling verhoogd worden.’
Eind 1895 woonde de circusartiest en ontwerper van ‘fantastische schouwspelen’ Georges Meliès een demonstratie bij van de gebroeders Lumière, die ook al druk aan het experimenteren waren met ‘bewegende lichtbeelden’. Hij was er zo van onder de indruk dat hij meteen na de voorstelling een bod deed op hun uitvinding. Toen ze zijn bod weigerden, ontwierp Meliès zelf een toestel waarmee hij zijn onder meer zijn goocheltrucs voor het eerst vastlegde op iets dat wij nu ‘film’ zouden noemen.
Toevallig ontdekte Meliès daarbij dat de film zelf ook mogelijkheden tot goocheltrucs bood. Op een plein in Parijs viel zijn toestel plotseling uit. Hij slaagde erin het te herstellen en toen hij ’s avonds de film in zijn laboratorium ontwikkelde, stelde hij vast dat de autobus op het ene beeld op het volgende beeld een lijkwagen was geworden. Dat bracht hem op het idee allerlei technische kunstgrepen toe te passen op het nieuwe medium ‘film’ en zo bouwde hij de eerste filmstudio ter wereld waar hij naar hartelust kon experimenteren met alle mogelijke trucs en ging hij de geschiedenis in als de pionier van de filmtrucage. Plaatste je bijvoorbeeld een zeemeermin achter een aquarium, dan leek het op de film of zij zich te midden van een school vissen bevond. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werden zijn studio’s in beslag genomen door de militaire autoriteiten, die ook wel oog hadden voor de propagandamogelijkheden van de toen nog revolutionaire nieuwigheid die de ‘cinematografie’ was.



Rond de eeuwwisseling waren er op zowat alle kermissen, maar ook op de wereldtentoonstelling van Parijs, zogenaamde ‘panorama’s’ te bewonderen: ‘door ingenieus bedachte middelen (en door een kunstmatige beweging van het voorgestelde) is het daar gelukt de werkelijkheid nog meer nabij te komen.
Een techniek zoals die volgens ‘kolonel Herzenwirth’ in 1914 zou toegepast zijn bij Bergen, was dus niet alleen denkbaar, maar kon ongetwijfeld ook in de praktijk gebracht worden. Er waren zelfs handiger en makkelijker procédés mogelijk om het effect te verkrijgen dat door Herzenwirth beschreven wordt. De projectoren hoefden niet noodzakelijk gemonteerd te worden op vliegtuigen: men kon er aan Duitse kant luchtschepen of zeppelins voor gebruiken, en zowel de Britten als de Duitsers maakten al van bij het begin van de oorlog gebruik van luchtballons om onder meer vijandelijke troepenbewegingen te observeren. De beelden hoefden overigens ook niet echt te bewegen en konden zelfs vanaf de begane grond geprojecteerd worden – dus niet noodzakelijk om de wolken – om een gelijkaardig effect te bereiken.
Men mag het belang dat gehecht werd – door beide kampen - aan wat wij nu ‘psychologische oorlogsvoering’ noemen, en de kracht van de daarmee gepaard gaande propaganda vooral niet onderschatten. ‘De angst van de Belgische bevolking en de aanhoudende geruchtenstromen kwamen de geallieerden goed uit,’ schrijft Richard Heijster in Ieper 14/18 (Lannoo, 1999) – en hij heeft het hier dan voornamelijk over de legende van de vrijschutters, maar zijn uitspraak geldt evenzeer voor de mythe van Mons die op hetzelfde tijdstip ontstond, of voor het gerucht als zouden de Russen geland zijn in Engeland. ‘Het werkte als smeermiddel op hun reeds op gang gekomen propagandamachine. Er werd geen enkele nuance meer aangebracht als het ging om “het losgebroken beest, de Hun”. Tijdens de Eerste Wereldoorlog waren de geallieerden de eersten die inzagen dat georganiseerde propaganda uitstekend als wapen kon worden benut. De Duitsers leerden hun lesje. Vijfentwintig jaar later waren ze ware meesters in het, op bijna wetenschappelijke wijze, bespelen van de grote massa.’
Voor dat ‘op bijna wetenschappelijke wijze bespelen van de grote massa’ begaven zowel de geallieerden als de Duitsers zich tijdens de beide wereldoorlogen nogal eens op bovennatuurlijk terrein. Zo werd Nostradamus, al was hij dan een jood, postuum uitgeroepen tot de eerste profeet van het Derde Rijk. Elke keer wanneer de Duitse legers een rivier overstaken, citeerde Goebbels triomfantelijk de volgende vier ‘gereviseerde’ regels van de vier eeuwen daarvoor gestorven ziener:

Beesten wild van honger zullen de rivieren oversteken,
Het grootste deel van het slagveld zal tegen Hitler zijn,
Maar hij zal de leiders in ijzeren kooien rondsjouwen.
Het kind van Duitsland zal geen wet meer erkennen.

De geallieerden volgden al gauw zijn voorbeeld en citeerden vaak hun interpretatie van hetzelfde kwatrijn, wanneer zij op hun beurt een rivier overstaken.
De Engelsen hadden overigens een langere traditie als het aankwam op het koppelen van magische technieken als het voorspellen van de toekomst aan politieke propaganda. In 1213 werd Peter de Wijze, een kluizenaar uit Yorkshire, opgehangen omdat hij de dood van koning John had voorspeld. Verraad en hekserij, heette het. In 1580 verbood Elizabeth I het voorspellen van de dood van een monarch, omdat dergelijke geruchten door politieke agitatoren maar al te gretig werden aangewend om een opstand te ontketenen. Haar rivale, Maria Stuart, noemde dat soort voorspellingen ‘de bron van alle rebellie’.
‘Ongetwijfeld hebben enkele Belgische burgers vanuit hinderlagen op Duitse soldaten geschoten,’ meldt Richard Heijster. ‘Maar het is beslist niet waarschijnlijk dat dit op grote schaal gebeurde. Het bestaan van dergelijke franc-tireurs (vrijschutters) gaf het Duitse leger echter het excuus in handen om het gewelddadige optreden tegen de burgerbevolking gedurende de eerste oorlogsmaanden te rechtvaardigen. Zwaar overdreven verhalen over sabotagedaden, en het op gruwelijke wijze vermoorden van Duitse soldaten door burgers, wettigden in Duitse ogen de meest afgrijselijke vergeldingsmaatregelen. (…) Aanvankelijk sympathieke of neutrale gevoelens voor de Duitse zaak werden negatief beïnvloed door de gruwelverhalen die de kranten in de andere landen publiceerden. Vooral de pers uit de geallieerde staten was handig in het uitbuiten en overdrijven van het Duitse handelen in België. De wildste geruchten werden als waarheid verkocht bij haar poging “het Duitse beest”, de “Furor teutonicus”, aan de kaak te stellen. De georganiseerde stemmingmakerij werkte op volle toeren.’
In zijn boek Dope Girls – The Birth of the British Drug Underground, ook gepubliceerd op het world wide web, schetst Marek Kohn de sfeer van die dagen als volgt:

Het miljoen mannen dat zich in 1914 haastte om dienst te nemen bij het leger, deden dat niet omdat zij zichzelf beschouwden als een gedoemde generatie.Zoals Harold Macmillen het zag: ‘Zowat iedereen meende dat het over zou zijn met Kerstmis. Onze grootste vrees was het vooral niet te missen.’ De mobilisatie toonde aan hoe een moderne gemeenschap functioneerde; zij wierp haar bureaucratische en logistieke organisatie op een nooitgeziene schaal in de strijd. Op deze manier zou de eeuw vorm krijgen, door oorlogen die op een industriële wijze werden georganiseerd, geleid door de immens krachtige en omvangrijke machines van de staat.
De oproep om de wapens op te nemen was alleen maar het crescendo van een campagne die al jaren voordien was ingezet door de populaire pers die zich pas gevestigd had. Een massamedium deed het thema van ‘Koning en Vaderland’ nu door een gemeenschap circuleren, waarvan de verhoogde dichtheid en samenhang een nieuw gewicht gaven aan de publieke opinie en de publieke gevoelens. (…) Toen de oorlog uitbrak, realiseerde niemand zich – en de vrijwilligers die de straten voor de recruteringslokalen blokkeerden nog het minst (…) – dat de oorlogvoering naar de twintigste eeuwse normen van grootte alleen maar kon vergeleken worden met eerdere conflicten zoals een staalfabriek staat tot een schapenboerderij.
De middeleeuwse retoriek van ridderlijkheid en Kroon was even machtig als illusoir. Ze ging niet in rook op toen het duidelijk werd dat ze nergens op sloeg, maar vormde een even explosief als fantastisch mengsel. Net zoals de oorlog een walgelijke hybride was van moderne technologie en archaïsche waarden, was zijn populaire mythologie het produkt van moderne communicatiemiddelen en magische denkbeelden.

Marek Kohn verwijst daarbij naar de mythes van Mons en de Russen van Aberdeen. Dergelijke wensvervullende elementen behoorden al evenzeer tot de ‘fantasie van de oorlog’ als een virulente xenofobie, die voor het eerst op een grote schaal tot uitbarsting kwam nadat de Lusitania in mei 1915 tot zinken werd gebracht. Hierbij verloren 1200 mensen het leven; ondertussen waren reeds vele duizenden Britten gesneuveld aan het front.
Rond de Lusitania – een  passagiersschip dat op weg was van New York naar Liverpool toen het getroffen werd door een torpedo van een Duitse onderzeeër – hebben beide kampen eveneens een kleine, voornamelijk door propaganda-overwegingen gekleurde oorlog gevoerd. Door middel van een advertentie in een groot aantal Amerikaanse kranten probeerde de Duitse ambassade reizigers ertoe te bewegen hun boeking op de Lusitania alsnog te annuleren, omdat het luxe passagiersschip onder Britse vlag door de oorlogszone zou varen en bijgevolg door de Duitse marine zou beschouwd worden als een vijandelijk vaartuig. Bovendien beweerden de Duitsers dat de Lusitania wapens en munitie smokkelde en dus moest beschouwd worden als een oorlogsschip. De geallieerden ontkenden en geen van de passagiers nam de Duitse waarschuwing serieus, met het bekende gevolg.
De hele wereld reageerde diep verontwaardigd, maar uit de snelheid waarmee de Lusitania zonk, kon opgemaakt worden dat het schip misschien wel degelijk wapens en munitie aan boord had. Bovendien leek het door de geallieerde autoriteiten met opzet aan zekere gevaren blootgesteld, waardoor de indruk werd gewekt dat de geallieerden de Lusitania en haar passagiers bewust hadden opgeofferd, om de aarzelende Verenigde Staten zo ver te krijgen dat ze eindelijk voluit zouden meestappen in het conflict. De betrekkingen tussen de Verenigde Staten en het Duitse keizerrijk kwamen door de ondergang van de Lusitania inderdaad zwaar onder druk te staan, maar toch namen de Amerikanen nog niet meteen deel aan de oorlog. Pas in 1917 was het zo ver. De Amerikaanse oorlogsverklaring werd het jaar daarop voor de Duitsers en hun bondgenoten fataal.
Samenvattend kunnen we stellen dat de propaganda-oorlog vitaal was voor de beide strijdende partijen, en dat ook op dat terrein - zowel aan Duitse als aan geallieerde zijde – hevig slag geleverd werd. Zowel de Britten als de Duitsers beschikten bovendien over de middelen en hadden de gelegenheid om op een door kolonel Herzenwirth beschreven cinematografische manier een krachtige illusie te creëren, waaruit een machtige mythe kon ontstaan. We kunnen het kind – in casu ene kolonel Herzenwirth – bijgevolg onmogelijk weggooien met het badwater – met name: de strekking van zijn verklaring. De kwestie van zijn identiteit even buiten beschouwing gelaten, is het zeer goed denkbaar en mogelijk dat de Duitsers – of zelfs de Engelsen – al bij het begin van de oorlog met het soort geavanceerde propaganda-technieken hebben geëxperimenteerd, dat hij beschrijft.
U hoeft kolonel Herzenwirth voor mijn part niet ernstig te nemen, als u maar bedenkt dat de architecten van de recente Golfoorlog dat in ieder geval wel hebben gedaan. Op 5 februari 2000 schreef David Hamling in de kwaliteitskrant The Guardian dit artikel: ‘We zijn in Bagdad in 1991, en er is iets vreemds aan het gebeuren. Een stilte valt over de stad en een reusachtig glimmend gezicht materialiseert in de hemel. Soldaten en burgers vallen op hun knieën wanneer zij de stem van Allah horen, die hen beveelt af te rekenen met de  kwade en verraderlijke Saddam Hoessein. Een paar minuten later bestormt een woedende menigte het paleis, waar de wachters het hazepad kiezen…’
Dit zeer verbeeldingsrijke scenario werd ontworpen door de US Air Force (USAF) om bloedvergieten te vermijden in het Golfconflict. Het idee woorden in de mond van God te plaatsen is niet nieuw. In de Oudheid beschreef Lucianus al een standbeeld van de god Aesculapius die sprak tot de gelovigen, daarbij geholpen door een spreekbuis waarachter een priester zich had verborgen. En de op deze pagina’s reeds genoemde Athanasius Kircher heeft in de zeventiende eeuw een gelijkaardige maquette ontworpen die een gelijkaardig doel moest dienen.
In Bagdad was men van plan een enorm hologram te projecteren dat over geheel Irak moest te zien zijn, met behulp van een spiegel die kilometers hoog in de ruimte was opgehangen. Maar de grootste op dat ogenblik bekende spiegel had een doorsnede van 30 meter en men vond die te klein om een - vanop de grond bekeken - overtuigend beeld te creëren. Men kon ook gebruik maken van een spiegeleffect, verkregen door een opwarming van de lucht. Als warme lucht op koude lucht komt te liggen, is het verschil in dichtheid namelijk voldoende om het licht te buigen. Op grote hoogten kunnen op die manier hele landschappen verschijnen in de lucht, als in een fata morgana. In theorie kon men een artificiële luchtspiegeling tot stand brengen door de atmosfeer op te warmen met radio- of microgolven.
Het militaire apparaat had ongetwijfeld een groot vertrouwen in het potentieel gebruik van holograms. Een denktank van de USAF achtte die zeer geschikt voor ‘strategische doeleinden van misleiding, in het bijzonder als ze gericht zijn tegen een ongesofisticeerde tegenstander’. Het aangezicht van God heeft evenwel een stem nodig en om die overtuigend te laten weerklinken over heel Irak, bleek men nog niet over de juiste technologie te beschikken. Er zat trouwens nog een andere adder onder het gras: de islam verbiedt afbeeldingen van Allah en hoe kun je bijgevolg een beeld van God projecteren als niemand er een idee van heeft hoe Hij er precies uitziet? Bovendien konden de inwoners van Bagdad nu niet meteen bijgelovige wilden genoemd worden; ook zij waren al te vertrouwd met  computergestuurde beeldtaal en flitsende speciale effecten.
Vele ufologen zijn de mening toegedaan dat de onbekende en bewegende lumineuze objecten die sinds de Tweede Wereldoorlog met de regelmaat van een klok in de atmosfeer worden waargenomen niets anders zijn dan supergeheime, zeer gesofisticeerde, nog in een experimentele stadium verkerende militaire vliegtuigen of andere toepassingen van militaire aard. Daar valt iets voor te zeggen, al zijn hun collega’s – de historische ufologen die gelijkaardige fenomenen hebben getraceerd in de geschiedenis – daar om voor de hand liggende redenen niet zo gelukkig mee.
Is de mythe van Mons het gevolg geweest van een supergeheim en voor die tijd zeer gesofisticeerd militair experiment, met als doel de psychische manipulatie van de eigen en/of de vijandelijke troepen?