Mysterieus België

Van A tot Z: Sagen, mythen, legenden, sterke verhalen, geheimzinnige geschiedenissen, historische mysteries, feiten en fictie van Aalst tot Zwevezele, van Arlon tot Wéris! Wij organiseren voor u een stadsspel, GPS-spel, stadswandeling, detectivespel, fotozoektocht in Mysterieus België met 1 spelleider, met diverse performers, of in een doe-het-zelf pakket, in het Nederlands, Frans of Engels! Vraag hier vrijblijvend een offerte aan!

29.4.06

Stadsspel: Magisch Brugge / De Spoken van Brugge



Onder de titel   De Spoken van Brugge  organiseren wij een stadsspel met schatten- of spokenjacht in Brugge, rond het huis waarover u alles op deze site kunt lezen.

VERHAAL: In Brugge bevindt zich een écht spookhuis, waar indertijd ook een schat is verloren gegaan. Via een medium dat in contact staat met "gene zijde" ontvangt u een aantal boodschappen die u moet ontsluieren en opdrachten die u tot een goed einde moet brengen om nieuwe tips te ontvangen. Slaagt u erin uit te vissen waar dit spookhuis zich precies bevindt? Een spiritistische séance, boodschappen uit de geestenwereld via het ouija-bord, een crimi dinner... en dat allemaal gecombineerd met een stadsspel, een speurtocht, een spoken- en schattenjacht in het hart van Brugge...
CONCEPT: séance/crimi dinner/stadsspel in Brugge.
DOELGROEP: Bedrijven, organisaties, verenigingen, basis -en secundaire scholen (bedrijfsevenementen, personeelsfeesten, teambuilding, educatieve uitstappen... - telkens aangepast aan de doelgroep)

23.4.06

Schattenjacht/spokenjacht Brugge





Een kleine nachtmuziek

Een kleine nachtmuziek weerklinkt in het verdoemde huis, ook wel Den Noodt Godts genoemd. Kinderen uit de buurt klimmen op elkaars schouders om een glimp op te vangen van de vleugelpiano, die door de laatste bewoners werd achtergelaten. Het deksel van het klavier is open geslagen. Voor de vleugel houdt een pianostoeltje trouw de wacht. En iedere nacht weer klinkt die prachtige ingetogen muziek door de straat.
Jaja, luister maar, maatje... En kijk rustig rond. Op dit middernachtelijke uur zul je in het hele huis geen levende ziel te zien krijgen. In alle vertrekken is het aardedonker, behalve dan in de kamer waar de piano staat die iedere nacht dezelfde wondermooie melodie speelt, gevangen in een web van wit licht.
Eine kleine Nachtmusik van Wolfgang Amadeus Mozart.
Wat zeg je? Dat je de pianist niet ziet? Dat de toetsen van het instrument niettemin op en neer gaan, door onzichtbare vingers beroerd?
Zo is het, maatje... Zo is het. Vreemd hé?
En kijk daar... Een mooie jongedame danst op de tonen van Een kleine nachtmuziek dwars door de gevel van het vervloekte huis dat we zoeken. En ze verdwijnt in de nacht en de nevel. Zie je? En hoor je? Hoor je het ratelen van de wielen van een koets op de glanzende kinderkopjes van de straat?
Een prachtig rijtuig verschijnt om de hoek. Het is bespannen met twee gitzwarte paarden. Op de bok zit een sinister heerschap - donker, oud, somber. Het heerschap treuzelt even, legt dan de zweep over de paarden en...
Als je ooit de behoefte zou voelen deze koets en koetsier te volgen, maatje... Iedere nacht weer lossen ze op in de ondoorgrondelijke spiegel van het Minnewater...
Men zegt dat de mooie jongedame een Schotse lady was. Dat zij in het vervloekte huis dat we zoeken ooit Een kleine nachtmuziek speelde voor een vriend - een afstammeling van de Menapische druïden die hier vroeger woonden.
Deze vriend, die druïde, had zich gespecialiseerd in het vervaardigen van ‘wassen poppen des doods’. Ooit gehoord van...? Nee? Luister dan... Heksen en tovenaars werden destijds wel vaker ingeschakeld om een of andere ‘liefdesbewerking’ tot stand te brengen. Door hun tussenkomst kon een grote liefde veroverd of een gebroken hart gewroken worden. Een hinderlijke echtgenoot zou dan plotseling hevige pijnen lijden, met de dood tot gevolg. De wassen poppen des doods waren op zijn minst 6 centimeter groot En ze kregen mee: 2 nagels, afgeknipt van vinger of teen; 4 haarlokken; 1 kledingstukje van de te treffen persoon; 4 hosties, gewijd. De beeldjes werden gedoopt met de naam van het slachtoffer en daarna onder de verschrikkelijkste verwensingen doorstoken met gloeiende of giftige spelden.
De Schotse lady verzocht haar vriend een wassen beeltenis te gebruiken tegen een chagrijnig stuk chirurgijn. Dat was haar liefste koosnaampje voor haar oude rijke echtgenoot. Maar het chagrijnig stuk chirurgijn vermoedde wat en verving zijn afgeknipt stuk vingernagel door een lok haar van de verdorven druïde.
Ik heb me laten vertellen dat het chagrijning stuk chirurgijn met een versgeslepen slagermes achter zijn Schotse lady aan ging, terwijl haar druïde bezweek onder helse pijnen. Dat de Schotse lady onderdook in het Begijnhof en dat haar echtgenoot zijn wraakzucht wegspoelde met brandewijn in verre buitenlanden.
Men fluistert dat ze berouw kreeg en iedere dag boete deed voor haar wandaad, terwijl ze slecht Frans en Engels door elkaar brabbelde met de begijntjes en ondertussen angstig door hun gordijntjes gluurde. Alsof ze verwachtte daarbuiten plots een chagrijnig stuk chirurgijn te zien opdagen, het versgeslepen slagersmes in de hand.
Ten slotte begon ze radeloos door de stad te dwalen. Dan kon men haar uit het Begijnhof zien komen en langs het Minnewater lopen. Je zag haar bij het paleis van Gruuthuse, bij de Dyver en de Basiliek van het Heilig Bloed en op het Biskajerplein. Ze hield even halt aan een leegstaande huis waar ze ooit een kleine nachtmuziek speelde voor een verdorven druïde. Ze liep langs de lange Augustijnenrei naar het Zand en verdween uiteindelijk en iedere keer weer spoorloos in het aloude Begijnhof.
Steeds dezelfde route volgde de Schotse lady, alsof ze ergens op haar weg iets had verloren waar ze iedere dag weer naar op zoek hoorde te gaan. Soms kon men haar horen fluisteren: ‘Mijn lieve druïde... Waar is mijn lieve druïde gebleven?’
Wie haar op straat of op een plein, langs een rei of bij een kaai ontmoette, dacht onwillekeurige aan een verdwaalde toeriste. In de winter droeg ze onveranderlijk dezelfde zwarte paraplu en in de zomer dezelfde groene parasol.
Op een goede dag zag men haar echter nergens meer verschijnen. De politie stelde een onderzoek in. Een gendarme vond haar lichaam in het vervloekte huis dat we zoeken…
Het lag op haar bed, dat doorweekt was van het bloed, en hoe hard de gendarme ook zocht - haar hoofd was daar niet meer te vinden. Ik heb gehoord dat het chagrijnig stuk chirurgijn dit lichaamsdeel op een vakkundige wijze van de rest van haar lichaam heeft gescheiden. Dat hij onverwachts was teruggekeerd uit een ver buitenland en dat hij zijn Schotse lady had aangetroffen, in gedachten verzonken voor wat ooit hun huis was geweest. Men zegt dat hij - toen haar straf was voltrokken - met haar hoofd in de armen op de bok van zijn rijtuig is gesprongen, bespannen met twee gitzwarte paarden. En ten slotte weet men nog te vertellen, maatje, dat hij met koets en hoofd en al in het Minnewater is gereden.
Ja hoor, jij kunt daar ook nog steeds getuige van zijn. Als je dat wil, kun je haar in de winter nog steeds uit het Begijnhof zien verschijnen, haar zwarte paraplu in de hand. Of je kunt haar langs het Minnewater zien flaneren. Of, in de zomer, kun je haar in gedachten verzonken onder een groene parasol voor dit verdoemde spookhuis zien staan.
Ze verstopt zich achter een standbeeld of een hoge boom en springt dan plots te voorschijn. Als je schrikt, zal ze verlegen zwaaien met haar groene parasol of haar zwarte paraplu. Ze zal er zo écht uitzien dat je haar zou willen vragen waarom ze zo ouderwets gekleed gaat. Maar voordat je haar iets hebt kunnen vragen, heeft ze zich alweer haastig teruggetrokken achter een struik.
Misschien hoor je haar nog fluisteren: ‘O mijn lieve druïde... Waar ben je gebleven?’
En je draait je om, maatje... En er is al niemand meer...
In deze boodschap zit een plaats verborgen. Welke?





Het Zwartfluwelen Halsbandje

Ooit zag een Frans toerist in het licht van elkaar snel opvolgende bliksems een jongedame zitten op de stoep van het vervloekte huis dat we zoeken. Ze snikte zachtjes onder haar zwarte paraplu. Ze was van een onaardse schoonheid. De man naderde haar omzichtig. Zij sloeg verlegen haar ogen naar hem op. ‘Alstublief, meneer,’ smeekte ze. ‘Ik zoek een plaats waar ik kan schuilen voor het onweer... Maar ik durf dit huis niet alleen binnen te gaan... Ik durf hier niet alleen achter te blijven, vannacht...’ Hoe zou hij haar smeekbede kunnen weerstaan? De jongedame opende de deur van het huis. De Franse toerist hielp haar uit haar mantel, die doornat was geworden. Om haar hals droeg ze een bandje van zwart fluweel, dat gesloten was met een kostbare diamanten broche. De zonderlinge jongedame legde zich te slapen en de Franse toerist waakte de hele nacht voor haar deur. Af en toe dommelde hij even in, en dan meende hij ergens in het huis Een kleine nachtmuziek te horen. De volgende ochtend ging hij een kruik melk, brood en kaas halen. De jongedame sliep nog; hij maakte haar niet wakker. Ze was zo mooi als ze sliep. Haar zwarte haren contrasteerden fel met haar wasbleke huid, haar bloedrode lippen. Toen hij in het huis terugkeerde, sliep de jongedame nog steeds. Haar hoofd hing over de rand van het bed. Hij raakte haar zachtjes aan, maar ze werd niet wakker. Haar hand was ijskoud. Hij voelde geen polsslag meer. De Franse toerist schreeuwde de hele straat bij elkaar. Er verscheen een gendarme, die bij de aanblik van de zonderlige jongedame terugdeinsde. 'In Godsnaam, meneer!' riep hij uit. 'Hoe komt deze vrouw hier!? Zij werd jaren geleden door haar man onthoofd! Een chagrijnig stuk chirurgijn, meneer! Zij werd onthoofd met een versgeslepen slagersmes! Ik herinner het mij nog als de dag van gisteren!' De gendarme trok het zwartfluwelen halsbandje los. En het hoofd, het hoofd van de Schotse lady viel op de vloer en rolde tot voor de voeten van de Franse toerist, waar het hem aanstaarde met grote glazige ogen...

De Nood Gods

Het huis dat we zoeken, wordt al sinds de vroege middeleeuwen Den Noodt Godts genoemd. Het werd in 1616 grondig verbouwd en in 1970 gesloopt. Alleen de gevels en de poort zijn bewaard gebleven. Ooit lag dit slapeloze oude huis op wandelafstand van zowel de kaaien als de woonwijken van de rijke kooplui – Spanjaarden, oosterlingen, Florentijnen. Toen het Zwin verzandde, bleven de meeste paleizen in vreemde handen, want de Brugse reders en kooplui dreven nog steeds handel met Spanje, Engeland, Oost- en West-Indië.
In 1873 huurden lord en lady Unlacke Den Noodt Godts van een Brugse handelaar. Het was er donker en koud. Er waren kamers waar de zon nooit kwam en het huis bezat de onaangename geur van zwavel en pek. Misschien was het de lange en duistere geschiedenis van Den Noodt Godts die het huis zo deed stinken. Hoe dan ook, in de herfst van 1878 zag lady Unlacke een sneeuwwitte gedaante over de binnenplaats zweven. Ze dacht eerst aan de Schotse lady, maar het bleek een non te zijn, gekleed in een habijt dat al een paar eeuwen niet meer werd gedragen. Ter hoogte van de schouder was het gescheurd en was haar blanke huid bevlekt met bloed. Korte tijd later nam lord Unlacke het silhouet van een monnik waar, met een grimmig gezicht. Net zoals de schim van het mooie jonge nonnetje leek hij allerminst gehinderd te worden door muren of gesloten deuren. De monnik prevelde iets dat lord Unlacke niet kon verstaan.
Nu was de zus van lady Unlacke niemand minder dan Florence Marryat, een befaamd schrijfster en spiritiste. In de zomer van 1879 nodigde lady Unlacke haar zus Florence en haar verloofde uit in Den Noodt Godts, om een onderzoek in te stellen naar de spookachtige fenomenen. Zij brachten de helderziende William Eglinton mee, een ervaren medium en bemiddelaar tussen deze en gene zijde.
De heer Eglinton koos een kamer in het huis die een goed uitzicht had op de binnenplaats, omdat de geesten van de monnik en de non zich daar bij voorkeur leken te vertonen. Toen begon het lange wachten. Vanuit het raam van zijn kamer kon hij de Augustijnenrei zien, waarachter zich armoedige huisjes met moestuintjes bevonden. Het water van de rei lag er zwart en roerloos bij. Er bevond zich niemand op de kleine aanlegsteiger. Op straat leurde een vrouw met schelpdieren. Twee mestrapers betwistten elkaars territorium als grommende honden. Was alle moeite dan voor niets geweest? De ellendige rit van Londen naar Dover, de lange en oncomfortabele bootreis naar Brugge, het in- en uitladen van zijn bagage waarbij hij een beroep moest doen op brutaal personeel... en dan deze Noodt Godts: veelbelovend, maar verwaarloosd. Het huis had een slechte naam, maar daar leek het ook bij te blijven. De heer Eglinton daalde de trappen af naar het salon van Den Noodt Godts. Lang geleden was dit huis een vrouwenklooster geweest, en volgens de overlevering was het mogelijk om via een onderaardse gang het Augustijnerklooster te bereiken, aan de overkant van het water. De voormalige kapel was nu ingericht als salon en het hele gezelschap zat er thee te drinken.
De heer Eglinton installeerde zich met een kop thee op de sofa. Het gesprek verliep voornamelijk in het Frans - een taal die hij niet machtig was - en hij verzonk algauw in sombere overpeinzingen. Toen sprong hij plotseling hevig rillend op. ‘Breng mij naar de kamer hierboven!’ Zijn handen bewogen nerveus; hij kon met moeite rechtop blijven staan. Op de trap verstijfde de heer Eglinton - en zo wankelde hij ook de kamer binnen: stijf als een plank. Hij zette voorzichtig een paar stijve stappen, uitte een onverstaanbare kreet, liep naar links, naar rechts. Opnieuw een kreet en toen... Toen begon de heer Eglinton opeens te worstelen met een onzichtbaar iemand. Het hele gezelschap liep de gang op, bevangen door een panische angst. Alleen Florence Marryat en ik bleven achter bij de heer Eglinton. ‘Hortense o Florence!’ gilde de heer Eglinton. ‘Blijf bij mij! Blijf bij mij!’ De deur vloog met een harde klap dicht. De zware gordijnen waren gesloten en lieten nauwelijks licht binnen, maar toch konden Florence en ik het heel duidelijk zien... Het gezicht van de heer Eglinton... Het vertrok in een grimas van haat en kwaadaardigheid. Hij gromde en knarste met zijn tanden terwijl hij vocht met een schim... niet van de non, maar van de monnik. De schim droeg een pij, de kap was achterover geslagen, het hoofd was kaal geschoren en de ogen in dat angstwekkend magere gezicht... Verschrikkelijk!
En toen… begon de verschijning te spreken! ‘Ik leef... als een beest leeft dat bijna de nek is doorgebeten en voor dood werd achtergelaten, maar toch nog leeft...’ zei de verschijning. ‘Zo leef ik...’
We vermeden het in elkaars ogen te kijken terwijl we ons opnieuw verzamelden in het salon. Lady Unlacke zette verse thee. Het eerste kwartier zweeg iedereen. Toen haalde lord Unlacke een fles Ierse whiskey boven en kwam er een aarzelend gesprek op gang waaraan iedereen deelnam. Iedereen, behalve de heer Eglinton. Hij greep een olielamp en stapte een aangrenzende kamer binnen. Op veilige afstand volgde het gezelschap hem. In de kamer namen we een blauwachtig schijnsel waar en opnieuw verscheen de monnik. Deze keer liep niemand weg.
‘Wie bent u? Kunt u me horen?’ vroeg de heer Eglinton. Zijn stem leek overal en nergens vandaan te komen en ze klonk alsof hij in een glas of in een beker sprak. En de stem van de monnik... Zij leek uit de muren te komen, uit de middeleeuwse muren van het eeuwenoude vervloekte huis dat wij nu zoeken...

1498… Aan beide kanten van de Augustijnenrei ligt een klooster - aan de ene kant een mannenklooster, aan de andere kant een vrouwenklooster. De broeders bezoeken de zusters om missen op te dragen en hun biecht te horen. Haast niemand weet dat beide kloosters verbonden zijn door een onderaardse gang die onder de Augustijnenrei doorloopt... Maar deze ene Italiaanse monnik weet het. En deze ene mooie jonge non weet het. En in het geheim sluipt de monnik door de gang en bezoekt hij zijn geliefde... ‘Kom met mij mee,’ fluistert hij haar in het oor. ‘Verlaat het klooster en volg mij...’ Het nonnetje voelt wel iets voor haar Italiaanse aanbidder, maar ze voelt meer voor haar hemelse bruidegom. Haar weigeringen om op zijn voorstellen in te gaan, haar dreigementen ten slotte dat zij haar overste zal inlichten... Ze maken de Italiaanse monnik gek van woede. Op een avond legt hij zich bij de kapel in een hinderlaag. Wanneer zij de kapel verlaat, springt hij te voorschijn en vraagt haar met aandrang, voor de allerlaatste maal: ‘Loop samen met mij weg uit het klooster! Kom en volg mij naar Italië!’ Het nonnetje probeert nog haar klooster binnen te vluchten, maar hij haalt haar in en brengt haar met verscheidene steken van een versgeslepen slagersmes om het leven. En hij sleept haar levenloze lichaam naar de onderaardse gang en graaft een ondiepe put waarin hij het lijk van zijn geliefde verbergt. En hij verwijdert haar bloedsporen en keert terug naar zijn cel.
Toen de geest van de monnik alles had opgebiecht wat hij op te biechten had, viel er een stilte. Daarna vroeg hij veel voor hem te bidden. Hij snikte, verborg zijn gezicht in zijn handen en loste op in het niets.
‘Gelieve mij even te excuseren,’ zei de heer Eglinton. ‘De bekentenis van de Augustijnermonnik heeft mij uitgeput. Ik ga naar bed.’ Lord en lady Unlacke, Florence Marryat en haar verloofde... zij brachten de nacht wakend door. Wakend en zwijgend. Bij het eerste ochtendkrieken serveerden de bedienden met verwonderde blikken een vroeg ontbijt. Zij hadden hun kamers niet verlaten en wisten niets af van het hele gebeuren.
De heer Eglinton ontbeet samen met zijn gastheer en gastvrouw, met de schrijfster Florence Marryat en haar verloofde. Hij sprak geen woord. Vervolgens maakte hij een lange wandeling. Er gebeurde die dag niets belangwekkends meer. Tot 's avonds.
De heer Eglinton kreeg zware stuiptrekkingen en leek in een coma te vallen. Opeens doofden alle kaarsen in Den Noodt Godts. En toen zag ik het ook, maatje... Op het voorhoofd van de heer Eglinton gloeide een kruis, vlak tussen de wenkbrauwen. Het verlichtte de kamer zelfs een beetje. We namen een flauwe luchtverplaatsing waar en... ‘Hortense Dupont,’ zuchtte de heer Eglinton met een zachte, diepe, vrouwelijke stem. ‘Bid voor mij. Ik werd vermoord door een Italiaanse monnik. Bid voor hem. Zijn naam zal ik nooit noemen... Hij was éénendertig, ik was drieëntwintig. Hij had mij lief en ik had hem lief en... Bid voor ons.’ Ik zag Hortense Dupont ook even verschijnen. Ze was helemaal in het wit gekleed. In haar handen hield ze een kruis dat ze op haar borst drukte. Haar blik had ze naar de grond gericht. Ze leek te wenen.
Lady Unlacke verzocht de bedienden een lichte maaltijd te serveren, wat niet eenvoudig was op dit uur van de avond. Daarna bad iedereen tot de ochtend in de lucht kwam. Nog dezelfde dag reisden de heer Eglinton, Florence Marryat en haar verloofde terug naar Londen. En ik... Ik wuifde hen uit, maatje. Ik wuifde hen uit.
Opdracht:
In het begin van de twintigste eeuw was er een beruchte inbreker actief in Brugge. Omdat niemand hem ooit ergens hoorde inbreken, werd hij ‘Kousenvoeten’ genoemd. Hij liep trouwens letterlijk op kousenvoeten, om geen gerucht te maken. Uiteindelijk werd hij toch gesnapt en opgesloten. Kousenvoeten ontsnapte en begon opnieuw in te breken, eerst in een huis in de Kartuizersstraat, dan in een huis op de Oude Burg, vervolgens in de Uilenspiegelstraat, dan weer in de Spanjaardstraat, en bij de Ezelbrug, en in de Nieuwstraat, en in de Venkelstraat, en weer op een huis in de Oude Burg en…Weet jij in welke straat de inbreker nu zal toeslaan?

Kom, daal nu maar af met mij in de kelders en krochten van het huis dat we zoeken... In het licht van mijn toverlantaarn zullen zij veranderen in een majestueus grote en mooie grot. Men fluistert dat er ergens een schat verborgen moet zijn in de kelders van Den Noodt Godts. Maar niemand heeft het ooit aangedurfd de onderaardse ruimten helemaal te verkennen. En de enkelingen die toch een poging hebben gewaagd om de geheimen van het verdoemde huis te ontsluieren, zijn nooit teruggekeerd. Dus volg me maar, maatje. Kom en volg de gids, dieper en dieper in de onderaardse krochten van Den Noodt Godts. Wonderbaarlijk groot zijn ze, deze kelders. Het hele verdomde huis is erop gebouwd. Ruik je die dodelijke geur al? De doodse stank van het dode water? We bevinden ons nu op een ondergrondse loskade. En het is deze lucht... De lucht die jij, nu, op dit eigenste moment in je longen zuigt, maatje... Het is deze lucht die op sommige dagen dit vervloekte huis vergiftigt. Kijk naar de barsten in de wanden en in de pijlers van de gewelven. Op een of andere dag stort het huis nog in en dan...? Wat dan...? Buig je voorover en kijk... Kijk daar om die hoek, aan deze kant van het water... Wat zie je, maatje? Een stenen trap? Prima! Kun je ook zien waar die heen leidt? Nee? Het moet de onderaardse gang zijn die onder de rei door loopt en ooit het Augustijnenklooster met het nonnenklooster verbond. Arbeiders die werken aan het huis hebben uitgevoerd, bevestigden mij dat ze een tunnel onder de rei hebben dichtgemetseld waartoe je toegang kreeg vanuit het gebouw waarin de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling gehuisvest werd, beter bekend als de VDAB. Bedienden van deze dienst verzekerden mij dat de kelders in de gangen werden dichtgemetseld. Volg je me nog? Hier, kijk... Op deze foto zie je een parking... Dat was ooit de binnenplaats van Den Noodt Godts. En hier zie je de Augustijnenrei... De plaats waar vroeger de aanlegsteiger was... Vanaf die steiger, onder het water door naar de overkant, loopt de gang waar wij ons nu bevinden. In 1965 stond Den Noodt Godts op instorten, maatje, met scheuren in de muren die gevaarlijk overhelden en met funderingen die zo goed als volledig waren weggerot. Een halve eeuw eerder waren enkele bewoners van het huis in de kelders afgedaald en zij hadden daar een stenen trap gevonden die uitkwam op een zwaar bespijkerde eikenhouten deur. Opgewonden omdat ze blijkbaar op het spoor waren gekomen van iets hoogst geheimzinnigs - misschien wel de verborgen schat waarover oude legenden spraken - lichtten de werklui de deur uit haar hengsels.
Toen lag daar voor ons een nieuw ondergronds krocht waarin de olielampen doofden door een gebrek aan zuurstof. De werklui haalden een hoop kaarsen en waagden zich nogmaals in de bedorven lucht van de kelder. Op de wanden troffen ze niet alleen zwammen aan, maar ook halfvergane tapijten die met goud waren bestikt en... Tempelierskruisen!
In het midden van de kelder stond een plompe houten tafel met dertien stoelen. Dertien. De koperen nagels waren groen uitgeslagen. Groen. Volg je nog, maatje? Op een stoel, aan de tafel, zat een heer die zijn knokige arm om de schouders van een jongedame had geslagen. Mummies... Mummies waren het. Mummies met geelbruine perkamenten gezichten en lege oogkassen, die eeuwenlang versteend aan de tafel hadden gezeten waarop hun laatste avondmaal was opgediend...
De Tempelridder en zijn Dame in de kelders van Den Noodt Godts... Welk drama heeft hen hier in de dood verenigd? De ridder hield nog een brokje houtskool tussen zijn benige vingers, waarmee hij op het hout van de tafel met zijn laatste krachten een laatste boodschap had geschreven: Ons stervensuur nadert: mager, bleek en ontvleesd. Vergeef het ons, Heer! Dat zij die onze asse, onze vergane beenderen vinden, voor ons bidden! Maar er werd geen asse en er werden geen beenderen gevonden. De vreemde samenstelling van de lucht in de poederdroge kelder had de Tempelier en zijn Dame gemummificeerd. Er zat nog een andere deur in de kelder dan die waardoor wij naar binnen gedrongen waren, maatje. Die tweede deur viel echter in stof uit elkaar toen wij haar aanraakten. Er lag een nieuwe onderaardse gang achter. De bodem was bedekt met slijmerig slijk waarin vette padden en hagedissen nestelden. In deze gang, die naar het nonnenklooster aan de overkant van de rei leidde, troffen wij het skelet aan van een derde persoon, bij een roestig slagersmes.
Nu vraag ik je, maatje... Welke verschrikkelijke mysteries liggen er besloten in de ondergrondse ruimtes van Den Noodt Godts? Was de dame de bruid van de man met het slagersmes geweest? Werd zij geschaakt door de Tempelier, die behoorde tot een ridderorde die wegens ketterse praktijken in de ban van de kerk werd geslagen? Sloot de man met het slagermes hen hier op om ze de hongerdood te laten sterven? Of was er iets heel anders aan de hand?
Waarom stonden er bijvoorbeeld dertien stoelen rond de tafel, als bij een parodie van het Laatste Avondmaal? Welke vreemde, godslasterlijke rituelen vonden hier plaats? Kijk, maatje... Hier heb je een kaart van het middeleeuwse Brugge. Ze verschilt weinig of niet van een stadsplan uit deze nieuwe eeuw. Zie je?
De stad heeft nog steeds de vorm van een doolhof, van het binnenwerk van een horloge, van een onoverzichtelijke spiraal die zich niet stoort aan de wetten van tijd en ruimte. Een argeloze toerist die niet voorzien is van kaart of kompas moet hier reddeloos verloren lopen, maatje. Hij of zij zal voortdurend op zijn of haar vertrekpunt terugkeren, en weet je ook waarom? Nee? Omdat hij of zij misleid wordt, maatje, door de middeleeuwse architecten die deze stad verloren hebben gelegd in hun zwartmagische kringen en slingeringen! Dààrom! Omdat elke geschiedenis in deze stad gedoemd is zich te herhalen tot het einde der tijden, maatje! Dààrom! Omdat de Machten van Goed en Kwaad hier al eeuwenlang hun eeuwige strijd leveren! Dààrom!