Mysterieus België

Van A tot Z: Sagen, mythen, legenden, sterke verhalen, geheimzinnige geschiedenissen, historische mysteries, feiten en fictie van Aalst tot Zwevezele, van Arlon tot Wéris! Wij organiseren voor u een stadsspel, GPS-spel, stadswandeling, detectivespel, fotozoektocht in Mysterieus België met 1 spelleider, met diverse performers, of in een doe-het-zelf pakket, in het Nederlands, Frans of Engels! Vraag hier vrijblijvend een offerte aan!

27.7.10

Verviers: De Zwarte Madonna



Op zeker ogenblik werden de erediensten van alle vrouwelijke godheden in het oude Rome overschaduwd door deze van Isis. Het zijn dan ook wellicht de vele afbeeldingen van de zachte en tedere Dame van de Nijl, vaak voorgesteld terwijl ze op een troon zit met haar kind op de knieën, die aan de oorsprong liggen van de beroemde Zwarte Madonna’s.

In het middeleeuwse kloosterleven hadden deze mysterieuze Zwarte Maagden een grote aanhang. Men vindt ze terug in het zuiden van Frankrijk, maar ook in Chartres, of in het noorden. Denken we bijvoorbeeld aan Boulogne-sur-Mer, de stad van Godfried van Bouillon, op de grens van Frans-Vlaanderen, waar reeds in het jaar 620 een Zwarte Madonna aankwam… in een vissersbootje, en allerlei wonderen verrichtte. Of aan de basiliek van het onooglijke Avioth, op een boogscheut van Orval, net over de grens, waar het beeld in verband wordt gebracht met niet minder dan drie legendes.

We vinden de Zwarte Madonna ook verspreid over een vrij groot aantal plaatsen op de kleine lap grond die nu België heet. Jammer genoeg werd het beeld in de kerk van O.L.Vrouw van de Overwinning op de Brusselse Grote Zavel vernield door de Calvinisten, maar de replica die u daar nu zult aantreffen, heeft nog steeds een zeer donker gezicht.

Om het mysterie van de Zwarte Madonna van Verviers te doorgronden, moeten we ons naar het kerkje van O.L. Vrouw der Recollecten begeven, bij het Martelarenplein dat zijn naam kreeg als herinnering aan een revolutionair die daar in 1794 werd onthoofd op bevel van de Luikse prinsbisschop. De voorgevel van de oorspronkelijke kerk, die in 1637 door de Recollecten gebouwd werd, kreeg een nis waarin enkele jaren later een twee meter hoge stenen Madonna met Kind werd geplaatst.

Toen de streek van Verviers in 1692 geschokt werd door een aardbeving, haastten vele inwoners van de stad zich naar de Recollectenkerk om de Heilige Maagd te smeken hun leven en hun stad te redden. Daar zagen de doodsbange mensen toen tijdens een laatste reeks naschokken het indrukwekkende beeld tot leven komen en bewegen. Langzaam draaide het Kindje Jezus zich naar zijn moeder toe, kwam van zijn sokkel en liep naar de Heilige Maagd, die haar linkerhand uitgestoken had. Een paar ogenblikken later was de aarde weer rustig.

Een mirakel? Of had de aardbeving een breuk in het beeld doen ontstaan? Een feit is dat 140 inwoners van Verviers zich spontaan bij de stadsmagistraat hebben gemeld om het verhaal op schrift te stellen in een register, dat nog steeds in het stadhuis wordt bewaard. Het miraculeuze stenen beeld dankt zijn kleur aan een brave pastoor die in 1856 had vastgesteld dat het onherstelbare schade had geleden… en het dus zo goed en zo kwaad als hij kon met een laag zwarte verf bedekte. Dit bizarre initiatief dat de tand des tijds moest doen vergeten, legde er precies de nadruk op, blies de verering en de mythe nieuw leven in en zorgde ervoor dat de kleine parochiekerk een druk bezocht pelgrimsoord bleef. En wie hier een louter profane verklaring in ziet in plaats van een sacrale, dient zich maar eens af te vragen waar de gitzwarte ebbenhouten madonna’s vandaan komen die men hier al sinds de 17de eeuw aantreft, en die ook al eens gebruikt werden als het kenteken van een winkel…

19.7.10

Tongerlo: Leonardo's Laatste Avondmaal



De abdij van Tongerlo pakt op de website van haar Da Vinci Museum niet meteen uit met namen als Dan Brown of verwijzingen naar de Da Vinci Code, wat zeer begrijpelijk is. Ook zonder de mystieke en mysterieuze connotaties die verbonden zijn aan het Laatste Avondmaal van Leonardo da Vinci - of een degustatie van het abdijbier, blijft een bezoek meer dan de moeite waard. Sinds 1545 is de norbertijnenabdij van Tongerlo immers in het bezit van een kostbaar doek: de meest getrouwe en mooiste replica van het beroemde fresco Het Laatste Avondmaal, door Leonardo da Vinci geschilderd in de eetzaal van het klooster Santa Maria delle Grazie te Milaan. Het originele fresco heeft erg te lijden gehad onder de tand des tijds, wat het schilderij van Tongerlo des te waardevoller maakt. Het zou onder toezicht van da Vinci door zijn leerlingen gemaakt zijn, maar het hoofd van Jezus en van Johannes zou door de meester zelf geschilderd zijn. 

In het museum zult u dankzij een subtiel klank- en lichtspel erg veel vernemen over de geschiedenis en het "verhaal" van dit meesterwerk, even groot als het originele fresco (460 x 880 cm), dat volgens een anoniem handschrift door "een Franse koning die Milaan had ingenomen" aangekocht werd. De kopie was mogelijk bestemd om het Laatste Avondmaal op een tapijt te reproduceren: het zogenaamde Arazzo-stuk, dat zich in het Vaticaan bevindt en in Vlaanderen werd geweven. Hoe dan ook, het doek werd in 1545 door de prelaat van Tongerlo gekocht en kreeg in de abdijkerk algauw bewonderaars met ronkende namen, zoals Rubens, Teniers en Van Dyck. Tijdens de Franse Revolutie verdween het schilderij uit da Vinci's werkplaats spoorloos, voordat de commissarissen van de Republiek het konden confisceren. Een legende vertelt dat het doek opgerold verstopt zou hebben gelegen op de zolder van een notaris in Herselt. In 1825 verhuisde het doek naar Mechelen en later kwam het nog in het bezit van de familie de Mérode en koning Leopold I.

Leonardo's Laatste Avondmaal keerde in 1840 terug naar een verwoeste abdij. Om de heropbouw van het klooster te bekostigen, onderhandelden de norbertijnen met onder meer musea in Londen en Berlijn, maar zonder resultaat. Toen de abdij in 1929 geteisterd werd door brand, sneed men het doek met een broodmes uit de omlijsting, waarbij het kunstwerk zo ernstig beschadigd werd dat men het niet langer kon tentoonstellen. Drie jaar later werd het gerestaureerd en in 1952, ter gelegenheid van de vijfhonderdste verjaardag van da Vinci, door een team specialisten bestudeerd. Daarbij ontdekten de heren Philippot en Marijnissen dat er onder diverse verflagen en vernissen eenzelfde tafereel verborgen zat, eindeloos fijner en "lumineuzer" dan wat daarvoor te zien viel. Een waar monnikenwerk dat acht jaar duurde, onthulde in 1966 ten slotte de "oorspronkelijke kopie"... Om het fresco zo dicht mogelijk te benaderen, had de kunstenaar het doek zelfs bestreken met een "muurpreparaat"...

"Voorwaar, ik zeg u: één van u zal mij verraden. Die is het, voor wie ik het stuk brood indoop en wie ik het geef." Het is dit moment dat weergegeven wordt op Leonardo's Laatste Avondmaal. Kunsthistorici hebben het over de verfijnde compositie en de ontroerende schoonheid van de gelaatstrekken, maar sinds de non-fictie boeken van het trio Baigent, Leigh & Lincoln (Het Heilig Bloed & de Heilige Graal), het duo Lynn Picknett en Clive Prince (The Templar Revelation) en Dan Brown die bij hen de mosterd ging halen voor zijn roman De Da Vinci Code, weten we dat hier nog veel meer aan de hand zou kunnen zijn dan op het eerste gezicht duidelijk lijkt.

De muurschildering ontstond op last van Ludovico Sforza in de jaren 1495-99, en volgens "mainstream" kunsthistorici past het perfect in zijn tijd, al bracht Leonardo wel één belangrijke innovatie aan: alle figuren - ook Judas - zitten samen aan tafel, terwijl het in die periode nog gebruikelijk was Judas aan de ene kant van Jezus en de apostelen aan zijn andere kant te plaatsen. Volgens hoger genoemde auteurs zou Leonardo op de hoogte geweest zijn van "het geheim van de bloedlijn", oftewel: dat Jezus was gehuwd met Maria Magdalena, en nakomelingen zou hebben gehad. Op het fresco zou Maria Magdalena zijn afgebeeld, en niet Johannes de Apostel (die rechts van Jezus zit) en een zeer vrouwelijk gezicht heeft. Vraag is alleen: waar zit Johannes dan? Schuilt hij soms onder de tafel?




 
Ook de identiteit van andere figuren die afgebeeld zijn op dit Laatste Avondmaal wordt door de "alternatieve" historici in twijfel getrokken. De tweede figuur die links van Jezus zit, wordt doorgaans geïdentificeerd als Jacobus de Meerdere, een broer van Jezus - door da Vinci dan ook voorgesteld als zeer gelijkend op Jezus. Wie aandachtiger kijkt, zal merken dat deze Jacobus eigenlijk als twee druppels water op Jezus lijkt, en ook identiek dezelfde kleren draagt, met als enige verschil dat Jezus een mantel over zijn rode tuniek heeft gedrapeerd. Is het dan zo vergezocht aan te nemen dat da Vinci een tweelingbroer van Jezus heeft afgebeeld op zijn Laatste Avondmaal?
 
Nu behoort tot de belangrijkste gnostische geschriften de Handelingen van Thomas, waarin de ongelovige Thomas uit het Nieuwe Testament als een speciale vertrouweling van Jezus verschijnt. In het Evangelie van Thomas spreekt Jezus zelfs zekere "geheime woorden" tot... zijn tweelingbroer Thomas! Het raadsel rond deze apostel wordt nog groter, als we in overweging nemen dat "Thomas" niet zomaar een eigennaam is, maar ook het Hebreeuwse woord voor "tweeling". Dat deze Thomas bovendien wordt aangeduid als "Thomas genaamd Didymus", maakt de zaak nog grotesker, want "didymus" betekent eveneens "tweeling". In de Handelingen van Thomas verklaart Jezus trouwens categorisch: "Ik ben zijn broer."
 
Fragmenten in andere aprocriefe werken spreken over een persoon genaamd "Judas Thomas", die niet alleen de tweelingbroer van Jezus is, maar ook een erkende en zelfstandige Messias. Deze oeroude "ketterij" was ooit wijd en zijd bekend in christengemeenten, waar men het archetypische idee van de goddelijke tweeling allerminst als godslasterlijk beschouwde. Judas Iskariot wordt vervloekt en veracht als de valse vriend die de Meester verraadt, maar strookt dit beeld met de historische werkelijkheid?
 
Jezus handelt in nauwe overeenstemming met de profetieën: hoe meer er in vervulling gaan, hoe wezenlijker zijn aanspraken worden als de Messias, die in de joodse context een zowel religieuze als politieke dimensie bezit. Nu verhaalt een duistere passage in de Schrift dat "de goede herder" verkocht moet worden voor dertig zilverlingen. Omdat Jezus heeft besloten dat hij ook deze profetie zal realiseren - niet spontaan, maar volgens plan - dient er een "verrader" gezocht te worden. Judas' missie is bijgevolg noodzakelijk "opdat de Schriften van de profeten in vervulling zouden gaan" (Mattheüs). De met opzet door jezus uitgekozen Judas  vervult zijn walgelijke plicht met tegenzin en terwijl de andere discipelen niet in de afspraak zijn ingewijd, ontstaat er een geheime verstandhouding tussen Jezus en Judas. Volgens Baigent, Leigh en Lincoln in De Messiaanse Erfenis blijkt dit zonneklaar uit het Laatste Avondmaal.
 
Onder invloed van Paulus verdwenen de vrouwen uit het Evangelie, werd van de edele en tragische figuur van Judas een gemene schurk gemaakt en werd ook de rol van Jezus' broers verduisterd. Mattheüs en Marcus zijn nochtans formeel: Jezus bezat tenminste twee zusters en vier broers - Jozef, Simon, Jacobus en... Judas. De tweelingbroer van Jezus, Judas Thomas Didymus, zoals hij ook op het Laatste Avondmaal verschijnt? (Maar wat dan met de beurs in de handen van de figuur die gewoonlijk als Judas wordt geïdentificeerd?)
 
Zonder verrader, geen held... Het is een thema dat ook nu nog sterk tot de verbeelding spreekt. De fantastische auteur Jean Ray werkte aan wat misschien wel zijn belangrijkste roman moest worden, toen de dood kwam aankloppen: Saint Judas de la Nuit. Hij zou daarin de onschuld van Jezus' verrader bepleiten, het op één na belangrijkste personage van het Passiedrama. Jorge Luis Borges behandelde hetzelfde thema in een kort verhaal, of essay, met de titel: Het thema van de verrader en de held. Hij gaat hierin nog een stap verder: verrader en held worden zelfs één en dezelfde persoon...
 
Stof tot mijmeren, als u Leonardo's Laatste Avondmaal degusteert, bij het verfijnde klank- en lichtspel, in de abdij van Tongerlo...
 

5.7.10

Sint-Pieters Rode: Het Spookkasteel van Horst

Castle with moat and stables



Het kasteel van Horst moet u zoeken in Sint-Pieters Rode, een deelgemeente van Holsbeek, op iets meer dan tien kilometer van Leuven, in het hart van het Hageland. Een majestueuze laan leidt naar het bos dat een belangrijke rol speelt in de talloze sagen en legenden die met het kasteel verbonden zijn. Het "waterkasteel" zelf ligt verborgen in een groen dal en wordt omringd door een brede slotgracht. Het peperbusvormige dak van de donjon verleent het kasteel, dat voor een deel dateert uit de dertiende en voor een ander deel uit de zestiende en zeventiende eeuw, de aanblik van een versterkte kerk.

Lang geleden zou in het kasteel van Horst een oude baron gewoond hebben, die na een onstuimig leven dat hij vooral in het buitenland had doorgebracht, huwde met een jonge schoonheid. De vrouw leefde teruggetrokken als een kluizenares in het kasteel, dat ze slechts één keer per jaar verliet om met haar man naar Heverlee te trekken, waar ze een leenhulde dienden te brengen aan de hertog van Aarschot. In het kasteel verbleef ook een kapelaan, een monnik van de abdij van Vlierbeek, die zo'n beetje fungeerde als bemiddelaar tussen de weldadige kasteelvrouwe en de behoeftigen uit de streek. Ondanks de strenge zeden van de priester en de voorbeeldige levenswandel van de jonge barones, begon haar echtgenoot haar te verdenken van ontrouw.

Nu werd de zoon van een pachter betrapt op het strikken van een haas en ter dood veroordeeld. In die dagen stelde men immers in plaats van een proces verbaal meteen een galg op. De verloofde van de stroper smeekte de kasteelvrouwe om genade. Zij sprak op haar beurt haar man aan, die na lang aandringen toegaf.

Enkele weken later vertrok de baron met zijn gevolg naar Aarschot. In het dorp was hij getuige van het huwelijk tussen de jonge stroper en zijn meisje. De bruid wierp een ruiker op de knieën van de barones, bij wijze van bedanking voor haar bemiddeling. De baron die de stroper noch het meisje kende, begreep er niets van. Uit angst haar gemaal te misnoegen, durfde de barones ook niets te zeggen. Ze deed de kapelaan teken eveneens te zwijgen, door een vinger op de lippen te leggen. De baron merkte dit gebaar op en - jaloers als hij was - interpreteerde het werpen van de ruiker en de vinger op de lippen verkeerd. Door razernij bevangen trok hij zijn dolk, stortte zich op de priester en ijselijke verwensingen uitbrakend, vermoordde hij de ongelukkige onder de ogen van zijn gemalin. Zij werd op slag krankzinnig en stierf enkele dagen later. De baron ruilde het tijdelijke voor het eeuwige zonder nakomelingen achter te laten en op die manier eindigde het eerste geslacht van de heren van Rode.

Vanaf dat ogenblik spookt het op het kasteel. Vaak gebeurt het dat, op het middernachtelijke uur, een grote zwarte koets tevoorschijn komt, getrokken door zes zwarte paarden. Vanuit het bos waar zich de puinen van het oude pershuis bevinden, galopperen ze wild de lindendreef door en lopen - men weet niet langswaar - de vierkante toren binnen. Een geheimzinnig, onheilspellend licht schijnt dan door de schietgaten van de oude wachttoren. Weinige ogenblikken later komt de koets opnieuw tevoorschijn, rijdt andermaal de ophaalbrug over en keert terug door de lindendreef om weer in de puinen te verdwijnen.

Sommigen beweren dat de oorzaak van deze verschijnselen anders dient uitgelegd te worden. Volgens hen zou de kasteelheer niet alleen zijn echtgenote in de bedstede hebben opgezocht, maar ook een meid. Zijn vrouw werd ziek en hij bracht haar over naar het gasthuis van Leuven. Nu hadden de kasteelheer en zijn meid het rijk voor zich alleen. De heer van Rode kreeg op een bepaald ogenblik echter berouw en ging te biechten bij een pastoor, die zei dat hij niet langer bij zijn meid mocht slapen. Nu wilde de baron best wel biechten, maar goede raad hoefde hij daar niet bij te krijgen, zelfs niet als die gratis was. Wrokkig keerde hij later naar de kerk terug en schoot de priester dood, die net z'n mis aan het celebreren was.

Dit zou de enige ware oorzaak zijn van de spookachtige fenomenen van Horst. 's Nachts zijn alle zalen van het kasteel immers verlicht, tot in de kelders toe. Wie het kasteel betreedt, zal daar echter geen levende ziel ontmoeten. Er lopen wel veel heren rond, allemaal in het zwart gekleed - maar of het hier om lévende zielen gaat, valt te betwijfelen. De vermoorde pastoor draagt er overigens nog steeds zijn mis op, en uiteraard rijdt er ook de koets rond, die spoorloos in de aarde verdwijnt...







Elementen van een spookverhaal

Er worden talloze spookverhalen verteld over het kasteel van Horst. Volgens een aantal van die legenden zouden de spokerijen niet alleen te maken hebben met de moord op een priester, maar ook met een verborgen schat. Onder de zevende trap zou ze liggen... en ontelbaren hebben al naar de zevende trap gezocht, maar hem niet gevonden.

Een dappere kerel zou omstreeks middernacht het kasteel in getrokken zijn en kwam daar vervolgens oog in oog te staan met een bende duivels die allerlei knoken tegen een muur zetten en daar met doodskoppen naar kegelden. Hij vroeg of hij mocht meespelen, maar omdat hij geen geld bij zich had, werd hem verzocht de volgende nacht terug te keren met zijn inzet. Dat deed hij ook. Nadat hij een tijdje met de duivels had gespeeld, bleek al zijn geld ineens op te zijn. Toch deden de duivels hem geen kwaad, integendeel: ze vertelden hem dat er daar ergens een schat moest liggen, en dat hij die maar moest zoeken. Als hij ze gevonden had, mocht hij opnieuw meespelen. Zelf zoeken naar die schat deden ze niet; ze kegelden liever.

Die moedige man heeft het kasteel dan verlaten en hij is er nooit teruggekeerd, want het was hem daar toch stilaan te heet onder de voeten geworden. En voorzover ik weet, werd er in het kasteel van Horst ook nooit een schat gevonden.

Ten slotte nog een laatste sage in verband met Horst, die zo uit Alice in Wonderland lijkt weggelopen. Volgens deze versie van de feiten zou de baron een verwoed jager geweest zijn, die alle dagen de mis hoorde in de kapel. De kapelaan mocht de mis nooit beginnen, vooraleer de baron op zijn plaats zat. Op een morgen was de baron op jacht vertrokken en toen hij zich al heel ver van het kasteel bevond, vergewiste hij zich ervan dat het uur van de mis reeds was aangebroken. Hij keerde haastig terug, wetend dat de kapelaan wel tot twaalf uur zou wachten, maar toen sprong uit een struik plotseling een haas tevoorschijn die parmantig voor de heer ging staan en zei: "Gij zult vandaag geen mis horen!" En toen hij de kapel bereikt, bleek de mis inderdaad reeds afgelopen. In woede ontstoken, schoot de baron daarop de priester dood. Lang nadien zag men op het altaar nog het misboek liggen met een witte, door bloed bevlekte doek erover. En sindsdien verscheen de baron ook alle nachten razend en tierend in een zwarte koets die driemaal rond het kasteel reed. Over het misboek, dat later in Brussel bewaard zou worden, vertelt men verder nog dat het altijd open lag op dezelfde plaats als toen de priester werd gedood. Sloeg men het misboek dicht of opende men het elders, dan vond men het de volgende dag weer op dezelfde plaats open liggen...




Voer voor detectives

Gooit men al deze sagen op een hoop, dan ziet men steeds dezelfde elementen terugkeren en dringt zich onweerstaanbaar de vraag op naar een mogelijke historische kern. Is er ook werkelijk een moord gepleegd op een priester door een kasteelheer?

In de legenden heeft men het over de laatste heer van het geslacht van Rode. Dat zou dan Arnold van Rode moeten zijn, over wie Rudolf - de abt van Sint-Truiden - schreef dat hij een wreed en tiranniek edelman was die leefde omstreeks 1100. Er zijn evenwel verschillende heren die in de twaalfde en dertiende eeuw de naam van Rode droegen. Moderne historici vermoeden dat de eerste heer van Rode, ook een Arnold, pas in 1227 zijn intrek nam in het kasteel. Maar slechts van Arnold van Lantwijck kan met zekerheid gezegd worden dat hij omstreeks 1280 het slot in zijn bezit nam.

Nadien heeft het kasteel wel twintig eigenaars gekend. De beroemdste was ongetwijfeld Amelrijck of Amaury Pynnock, die tot een oud Leuvens patriciërsgeslacht behoorde en er vanaf 1482 resideerde. Hij was gekend vanwege zijn grootse militaire feesten, waarop hij steevast zijn schoonbroer Willem de la Marck uitnodigde, bijgenaamd Het Everzwijn van de Ardennen. Zeven jaar nadat hij er zijn intrek nam, werd het kasteel ingenomen en in brand gestoken door de troepen van Maximiliaan van Oostenrijk, die toen slag leverde tegen de Leuvenaren. De kasteelheer herstelde de schade en verkocht het domein. Dus in 1489 leefde hij in ieder geval nog.

Nu bewaart men in de pastoor van Sint-Pieters Rode een achttiende eeuws schilderij waarop alle pastoors van de parochie afgebeeld staan. Bij de tiende in de reeks, namelijk Joannes de Campo (= Vandevelde), staat vermeld: "occisis" (vermoord). Deze moord werd in 1425 gepleegd, wat impliceert dat Pynnock toen nog een heel jonge man geweest moet zijn, hoewel men het in de sagen heeft over een oudere man. Men weet ook dat Pynnock in 1460 twee liefdadigheidsstichtingen voor de kerk van Sint-Pieters Rode instelde, wat als boete voor een misdaad kan bedoeld zijn, maar wat in dat geval dan toch vrij laat gebeurde: 35 jaar na de feiten.

Voor de rest vinden we onder de eigenaars van Horst geen heren terug die in verband kunnen gebracht worden met de moord op een priester. Veel, maar niet alles zeggend, is nochtans de getuigenis van een zekere meneer Gens, die in 1849 Sint-Pieters Rode bezocht. Het kasteel was toen nog slechts een ruïne. In de vuile, rommelige kapel lagen twee bidstoelen op de grond. Op het altaar stonden twee heiligenbeelden en lag een reusachtig misboek, waarvan het koperen beslag groen geworden was. Sinds een halve eeuw werd er geen mis meer opgedragen in deze kapel. Vinden de spookachtige verhalen van Horst hun wortels in de verwaarlozing van de kapel?

Ook veelzeggend is het verslag van enkele leden van de Broederbond uit Aarschot, die elf jaar later het vervallen slot bezochten. Een van de zusters van het Christelijk Onderwijs die op dat ogenblik in het kasteel hun intrek hadden genomen, toonde aan de toeristen een kazuifel die in een koffer op de zolder had gelegen. Ter hoogte van de borst wees zij op een opening die mogelijk door een dolkstoot was veroorzaakt. Daaronder kon men een zwartbruine plek zien, eventueel een bloedvlek.

In 1908 werden de samenstellers van het Brabants Sagenboek eveneens in het kasteel rondgeleid. De koffer stond nog altijd op zolder, er lag nog altijd een kazuifel in, maar... zonder een spoor van een dolksteek of een bloedvlek. Die bewuste kazuifel werd bewaard in Brussel, verzekerde de bewaker hen.

Detectives die alsnog een eeuwenoude moord willen oplossen, krijgen dus geen definitief antwoord op hun vragen. Best mogelijk dat er een priester uit wraak werd vermoord, want ook in twee naburige gemeenten worden er daarover verhalen verteld. Maar anderzijds is het thema van de te vroeg begonnen mis dan weer een bekend motief in sagen en legenden en heeft de spookkaros van Horst onmiskenbaar te maken met het ook al bekende thema van "de wilde jacht", dat men onder meer in Laarne en bij een aantal Franse kastelen terugvindt. Uit het niets komt dan een hele bende jagers met windhonden aandraven, die even later weer in het niets verdwijnen. Personen die er getuige van zijn, moeten het met hun leven bekopen.

Een groot deel van de spookachtige charme van Horst heeft ten slotte te maken met de spookkoets - een motief dat in talloze klassieke en moderne sagen terugkeert. In Rummen kent men de Rode Koets, in Brugge de Hellewagen, in Waasmunster de Vurige Wagen, en ga zo maar door. In de doden- en heiligencultus van weleer heeft "de wagen" altijd een vooraanstaande rol gespeeld. Vaak bolt hij over de wegen zonder dat er paarden aan te pas komen, of doorklieft hij de lucht. En deze spookkarossen en zonne- of hellewagens van weleer rijden nog steeds. In de "urban legends" van tegenwoorden worden ze niet langer door letterlijke, maar door figuurlijke paardenkracht aangedreven, denken we maar aan de vervloekte Porsche van James Dean, de behekste Gräf & Stift waarin Franz Ferdinand en zijn gemalin Sophie in 1914 werden vermoord in Serajewo, of de Plymouth Fury uit 1958 die van griezelauteur Stephen King de naam "Christine" heeft meegekregen...

1.7.10

Ruddervoorde: De Vloek van het Tempelhof


Een van de belangrijkste Vlaamse Tempelvestigingen was gelegen in Ruddervoorde, de geboorteplaats van Gerard, elfde Grootmeester van de Tempelorde. Toen de Orde werd opgedoekt, raakte het domein van Gerard van Ruddervoorde in verval. Het had niet zo’n beste reputatie, hoewel men in Ruddervoorde over de Tempeliers weinig meer wist te vertellen dan dat ze alleen na het vallen van de avond buiten kwamen, altijd vergezeld waren van vervaarlijke waakhonden en zich bezondigden aan afgoderij, sodomie en allerlei magische praktijken.

Het enige dat nog restte van de voormalige commanderij van Gerard van Ruddervoorde was een grote hoeve die bestond uit niet minder dan drie verdiepingen en gelegen was op de weg van Ruddervoorde naar Torhout. Het gebouw was omringd met grachten en het stond in de volksmond bekend als ‘het huis van de Tempelier’.

Omstreeks 1835 woonde hier een zekere Melia Dumont. Ze was de oudste dochter van tien kinderen en had vanaf haar vijftiende jaar voor het hele gezin gezorgd, omdat haar beide ouders gestorven waren. Alsof dat nog niet erg genoeg was, leek er op het Tempelhuis ook een afschuwelijke vloek te rusten. Allerlei ziekten en ongevallen troffen zowel dieren als mensen. In één jaar tijd stierven de ouders van Melia; in vijftien jaar tijd vielen vijftien paarden dood op het veld. De varkens krepeerden in hun stallen, de oogst mislukte keer op keer, de melk schuimde en gaf een kwalijke stank af. Karren verloren hun wielen, het bakhuis brandde af. Paardenknechten werden door een onzichtbare hand bekogeld met bussels hooi, een koffer dook plots op in de waterput en kon er zelfs niet met behulp van paarden uitgetrokken worden.

En al deze onrustbarende verschijnselen werden veroorzaakt door de kwade hand die op het Tempeliershuis rustte... De Tempeliers aanbaden immers afgoden! Ze hadden hun schatten hier begraven en nu spookten ze rond om de mensen te verjagen, zodat de schatten voor eeuwig en één dag in hun bezit zouden blijven. Tenminste, zo werd het toch verteld, in Ruddervoorde.

De spokerijen in het Tempelhuis bleven voortduren tot er een pastoor werd bijgehaald. Gewapend met een palmtak, wijwater en zijn dikste brevier slaagde de brave man erin de geesten tot bedaren te brengen en de rampen te bezweren. Hij verjoeg de spoken van de Tempeliers naar de verste hoeken van het land. Voortaan zouden ze ieder jaar slechts één stap dichterbij kunnen komen.

Melia Dumont bleef nog tot na 1850 op het Tempelhof wonen. Het werd één van de voorspoedigste boerderijen van de hele streek. Na haar dood en nadat haar kinderen getrouwd en verhuisd waren, heeft ze het domein verkocht. Maar de nieuwe eigenaars waren er toch niet helemaal gerust in en hebben dat hele vervloekte spookhuis dan maar met de grond gelijk laten maken.

Arbeiders die de vloer in de keuken van het gebouw moesten opbreken, vonden onder de stenen een diepe put. Bij nader inzien bleek het een graf te zijn. Keurig op een rijtje op de bodem van de put lagen drie mannengeraamten. Het eerste had een ransel naast zich liggen, het tweede een pijp en het derde een wandelstok die was beschilderd met vreemde motieven, waarin de nieuwe eigenaar van het Tempelhof onder meer een vogel meende te zien.

Eén van mijn mannen heeft de stok nog vastgepakt en die is toen, zomaar, voor hun ogen tot stof vergaan. Ze riepen en schreeuwden allemaal door elkaar, want ze waren erg geschrokken… Maar toch heeft iemand nog opgemerkt dat de ransel vol goudstukken zat, die erg oud leken. De kerel raapte ze op en zei dat hij ze naar het gemeentehuis zou brengen.

Sinds die dag heeft men in Ruddervoorde niet meer over geesten horen spreken. Over goudstukken trouwens ook niet.